02 januari


Johannes 3:16:
“Want alzo lief heeft God de wereld gehad…”.

Hoe wonderbaar is het dat God, de Allerhoogste, Die heilig en rechtvaardig is en een ontoegankelijk licht bewoont, een mens kan liefhebben.

Is het omdat er nog wel wat goeds in de mens is, of iets waarmee hij Hem aangenaam kan zijn? Zijn Woord zegt in Romeinen 3:12: “Er is niemand die goed doet, zelfs niet één” en in Psalm 143:2: “Want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn”. Jesaja 64:6 leert ons dat zelfs onze gerechtigheden, dus onze goede daden, voor Hem als een bezoedeld kleed zijn. In ons kan Hij dus niets vinden wat goed en aangenaam voor Hem is.

Daarom moet Zijn liefde tot ons voortkomen uit Zijn eigen hart en zo is het ook. Hij Zelf is DE LIEFDE, Zijn Wezen is liefde. Zijn liefde tot het gevallen schepsel was zo groot, dat Hij Zijn eigen geliefde Zoon in deze wereld heeft gezonden om de mens te redden van het rechtvaardig oordeel. God, de Heilige, de Rechtvaardige, kàn de zonde niet door de vingers zien. Er moest dus een rechtvaardige grond gevonden worden waarop God Zijn liefde kon schenken, zonder dat aan het recht Gods tekort gedaan werd.

Jezus Christus verliet Zijn heerlijkheid en kwam op deze wereld als Zoon des mensen om het heilig oordeel Gods over de zonde te dragen. Hij stierf aan het kruis en ging in de dood. Hij, Gods Zoon, alleen was in staat het oordeel Gods te ondergaan, want Hij was de Zondeloze, de Mens die in volmaakte gehoorzaamheid des geloofs voor Zijn God geleefd heeft. Het bewijs dat God in Christus volkomen genoegdoening heeft ontvangen voor de smaad Hem door de zonde aangedaan is, dat Hij Christus heeft opgewekt uit de doden en Hem gezet heeft aan Zijn rechterhand in de hoogste hemelen.

Romeinen 4:25 zegt dat Hij is opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Wie in deze Christus Gods gelooft, heeft eeuwig leven. Hij is gerechtvaardigd door het bloed van Christus (Romeinen 5:9) en een kind van God. Jezus Christus is het bewijs van Gods onpeilbare liefde tot de mens.

Lezen: Johannes 3:16-18