13 april


Volgens Efeze 2:19 zijn wij “dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods”. Gods Geest spreekt hier tot de gelovigen uit de heidenen. Aan het volk Israël heeft God Zijn heilige wet gegeven, de offerdiensten en talloze beloften in verband met de komst van de Messias. Deze waren uitsluitend voor Israël bestemd. Als iemand uit de heidenen deel wilde hebben aan deze Goddelijke dingen moest hij zich bij Israël voegen en zich laten besnijden. Wij, niet-joden, waren vreemdelingen en bijwoners, wij stonden van verre, zoals Efeze 2:13 zegt.

Door het werk der verlossing dat Jezus Christus heeft volbracht, is alles veranderd. Hij heeft de scheidsmuur weggebroken, zodat nu IEDER die in Hem gelooft een medeburger der heiligen en een huisgenoot van God is. Er is in Christus geen onderscheid meer tussen een niet-jood die in Christus gelooft en een jood die in Hem gelooft. In de dagen van Paulus wilden de joden die in Christus geloofden zich graag afzonderen van de gelovige heidenen en dit is in veel plaatsen ook gelukt. Gods Geest maakt hier duidelijk dat in Christus allen één zijn. Beiden, zowel joden als heidenen, die Jezus Christus hebben aanvaard als Zaligmaker en Verlosser hebben in één Geest de toegang tot de Vader. Door het kruis van Christus is de vijandschap, die er was tussen jood en heiden, gedood en zijn wij die geloven één geworden. Eén in onze Heer, Die onze vrede is. In Hem wassen wij allen tezamen op tot een tempel, heilig in de Heer.

Lezen: Efeze 2:12-22.